Sla navigatie en menu over Sitemap E-mail
Genlias homepage
Home > Over Genlias > Deelnemende archiefinstellingen printversiePrint dit document
Huidige categorie: Over Genlias
 
Ambitie
Deelnemende archiefinstellingen
 
 

Formosa

Met een zekere vooruitziende blik had de VOC al in 1623 een fort, met naam Zeelandia, laten bouwen aan de baai van Tayouan.

Fort Zeelandia
Fort Zeelandia (klik op de afbeelding voor een groter beeld)

Aan het hoofd van de kolonie kwam een gouverneur en een eilandraad. De Nederlanders kregen met een aantal omstandigheden te maken waarmee terdege rekening moest worden gehouden. Weliswaar woonden er op het eiland slechts weinig Chinezen en Japanners, maar aan de noordkant van het eiland, waar goud werd gevonden, was nog wel een Spaans fort met een volledige bezetting. Verder was de lokale bevolking sterk verdeeld. Op het eiland werden niet minder dan 18 talen gesproken, meest van Austronesische origine. De lokale volken waren dan ook meer met die van de Filippijnen verwant dan met die van China. Onderling vochten de dorpen in steeds wisselende allianties oorlogen uit. Dat ging gepaard met strafexpedities waarbij maar weinig gevangenen werden gemaakt. De bondgenoten van de VOC waren in het begin de dorpen Sinkan en Soulang.

De omgeving van Zeelandia, 17e eeuw
De omgeving van Zeelandia, 17e eeuw (klik op de kaart voor een groter beeld)

De omgeving van fort Zeelandia
De omgeving van fort Zeelandia

In de dorpen die onder VOC-gezag vielen werd een dorpshoofd en een dorpsraad aangesteld Bovendien werden dienaren van de VOC, die in de dorpen woonden, belast met bestuurlijke en justitiële (politieke) taken. Daartoe behoorden ook dominees, onderwijzers en andere ambtsdragers. Dienaren die speciaal voor deze bestuurlijke functie werden aangesteld, stonden bekend als de politiek van het desbetreffende dorp. Mogen we hier een voorloper van de latere residenten zien?

Tegenstanders van de VOC kwamen o.a. uit Mattau en Baccluan. In 1629 hoorde gouverneur Nuijts dat zich bij Mattau Chinese piraten zouden schuilhouden. De 63 soldaten die Nuijts erop uit stuurde om deze zaak te onderzoeken, troffen geen piraten aan maar liepen naderhand wel in de val van de Mattauers waarbij op twee personen na de hele expeditie werd uitgeroeid.
In opdracht van J.P. Coen zelf legde de nieuw benoemde gouverneur Putmans een dagregister voor de hele kolonie aan. Putmans beschouwde de VOC als eigenares het hele eiland en wilde dan ook heel Formosa bij de handel van de Compagnie betrekken. Dat viel in eerste instantie nog niet mee. In 1629 verwoestten Mattauers en Soulangers gebouwen en boerderijen van de Compagnie. Tevens het verjoegen zij de inwoners van het dorpje Provintia. In november volgde een strafexpeditie waarbij het dorp Baccluan, een bondgenoot van Mattau, werd aangevallen en verwoest. In 1633 werd getracht een hoofdman van Mattau over te halen om een expeditie tegen de bewoners van het eiland Lameij te leiden. Kort daarvoor hadden de bewoners van dit eiland de bemanning van het op dit eiland gestrande schip de Gouden Leeuw afgeslacht. De hoofdman weigerde dit en ging integendeel naar andere dorpen om die tegen de VOC op te zetten. Het jaar daarop brak een oorlog uit tussen Soulang en Sinkan enerzijds en Mattau anderzijds. Uit vrees dat de VOC Sinkan te hulp zou schieten, sloten de Mattauers vrede met Sinkan. Het legertje van Soulang-Sinkan rukte toen op naar Taccariang, een dorp in het zuiden van Formosa waarmee een nog rekening te vereffenen stond. De bondgenoten kregen daarbij hulp van de VOC-soldaten. De hoofden van vijf gesneuvelde strijders werden volgens traditie door de Sinkanders en Soulangers gesneld en meegenomen.
Toen in 1634 de kwestie van de Chinese piraten definitief was geregeld en de handel met Japan weer beter verliep, besloot de regering te Batavia versterkingen naar Formosa te sturen. In november 1635 versloeg een strijdmacht van 500 soldaten versterkt met strijders van Sinkan een legertje van Mattau. De VOC had daarmee het bloedbad van 1629 gewroken. Eén maand later was een nieuwe expeditie tegen het opnieuw opstandige Taccariang nodig. Daarna doorzochten de soldaten ook nog de dorpen Soulang, waar zij deelnemers aan de moordpartij van 1629 gevangen namen en Tevorang waar de vijand dacht veilig te zijn. In het vervolg hiervan boden Mattau en een aantal andere dorpen vrede aan. Het bericht over de militaire macht van de VOC verspreidde zich als een lopend vuur over het eiland. Ook verder verwijderde dorpen zochten nu vrede met de VOC te sluiten. Zelfs het dorp Pansoia dat op 100 km afstand van Zeelandia lag, sloot een verbond met de Compagnie. Vanaf voorjaar 1636 heerste er dan ook rond Fort Zeelandia een betrekkelijke rust (de zogenaamde Pax Hollandica). De Nederlanders duidden hun gebied aan als de Verenigde Dorpen, een toespeling op de Verenigde Nederlanden. In 1636 besloot de VOC een landdag te houden voor alle dorpen om het verbond te bezegelen en de macht en vrijgevigheid van de VOC te benadrukken.

Landdag te Formosa, 17 eeuw
Landdag te Formosa, 17 eeuw (klik op de afbeelding voor een groter beeld)

De vertegenwoordigers van de 28 dorpen uit midden en zuid Formosa kregen van de gouverneur een mantel, een prinsenvlag en een ambtsstaf als symbool van hun status (zie illustratie). Landdagen en dagvaarten hadden in de Republiek geleid tot de Statencolleges. Zou er ook op Formosa op den duur zo’n vorm van indirecte democratie zijn ontstaan?

Hiermee werd ook de weg vrijgemaakt om het eiland economisch verder te ontwikkelen. Datzelfde jaar begon gouverneur Putmans met het in pacht uitgeven van landbouwgrond aan Chinese boeren. Door de beperking van hun verblijfsduur tot drie jaar door de Chinese overheid konden deze mensen zich niet blijvend vestigen. De nieuwe bewoners hielden zich voornamelijk bezig met het verbouwen van rijst en suiker en met jacht en visserij.

Suikerplant
Suikerplant

Toen de boeren na verloop van tijd met hun kapitaal terug gingen naar het vaste land, stelde de VOC hoofdgeld in. Het ging daarbij om het heffen van belastingen op de jacht en visvangst en tienden op alle gewassen met uitzondering van de suiker. Het aandeel van deze belastingen maakte op den duur 40% van de inkomsten uit. De handel op het vaste land zorgde voor de overige 60%. Daarbij ruilde de VOC peper, specerijen en zilver tegen zijde, porselein en goud. Het goud werd op zijn beurt weer uitgegeven in India.
Naast de bovengenoemde traditionele landbouwproducten werd er ook veelvuldig gejaagd op het lokale wild. Bij aankomst van de VOC bleek al snel dat op het eiland duizenden Sika herten (Cervus Nippon) leefden.

Sikahert (Servus Nippon) Sikahert (Servus Nippon)

Sikahert (Servus Nippon) Sikahert (Servus Nippon)
Sikahert (Servus Nippon)

Weliswaar was dit een belangrijke voedselbron voor de lokale bevolking, maar de dorpsbewoners waren bereid om ook voor de Nederlanders op jacht te gaan. De taaie huid van de herten was erg gewild in Japan waar deze in de traditionele wapenrustingen van samurai werd verwerkt. Het vlees werd naar China geëxporteerd (zie illustratie).

In 1641 en 1642 werd het territorium van de VOC opnieuw uitgebreid waardoor zij tenslotte de hele westelijke kustvlakte van Formosa beheerste. Aan de noordkust waar goud werd gevonden, zat in het fort Kelang nog een Spaans garnizoen van 450 man. Na belegering van het fort werden deze soldaten verdreven waarna de hele kust van Formosa in alle windstreken tot het gebied van de VOC behoorde, al beperkte de aanwezigheid van de Nederlanders aan de oostkant van het eiland zich tot enkele losse vestigingen. Met de bergbewoners werd waarschijnlijk een politiek van leven en laten leven gevoerd.

Nederlandse kaart van het eiland Formosa, 17e eeuw
Nederlandse kaart van het eiland Formosa, 17e eeuw (klik op de kaart voor een groter beeld)

Omstreeks 1650 had Formosa zich ontwikkeld tot een bloeiende en winstgevende kolonie. Inmiddels woonden er circa 25.000 Chinezen op het eiland, maar ook de VOC-bevolking was behoorlijk gegroeid. Waar de aanwezigheid aanvankelijk in hoofdzaak militair was, vestigden zich in de loop van de tijd toch ook anderen in het stadje. Er was zelfs een kleine gemeenschap van niet aan de VOC verbonden burgers, de zogenaamde vrijburgers.
Rechtstreeks verbonden met de VOC waren: De gouverneur, de fiscaal, alle militairen van kapitein tot en met soldaat, de provoost-geweldige, de schoolmeesters, de chirurgijns (verdeeld in gewone, opper- en onderchirurgijns), matrozen, adelborsten, stuurlieden, schiemannen (bootsmannen), de stalmeester, de zadelmaker, de knecht van de wapenkamer, de roermaker (geweermaker), de oppasser over ’s compagnies metselwerken, de garnizoensschrijver, de hovenier, diverse tolken, de loods op het Tayovanse kanaal en niet te vergeten de opperkoopman, de gewone koopmannen en de onderkoopmannen, de eerste assistent en de gewone assistenten. Een bijzondere plaats nemen de politijcque opperhoofden in. Het gaat daarbij om personen die de VOC vertegenwoordigen in één of meer dorpen in zaken van bestuur en rechtspraak. Zo vinden we in de bronnen onder andere de politiek in het district Sinkan en het provisioneel politiek opperhoofd “om de zuijd van Formosa”.
Eerder zagen wij al dat het bestuur van het eiland in handen was van de gouverneur en eilandraad. Verbonden daarmee is natuurlijk het ambt van secretaris van de hoogste regering alhier.
Lokale ambtenaren van de stad Zeelandia zijn er ook. De rechtspraak ligt in handen van een college van baljuw (een ambt dat gecombineerd lijkt te worden met dat van fiscaal) en schepenen. Dit college werd terzijde gestaan door “de secretaris van de Raed van Justitie”, een substituut (van de baljuw?), een scherprechter en een gerechtsbode. Voor de stad zelf vinden wij nog een stadbode en een “basaerwachter” (marktwachter). Tenslotte wordt er nog een aantal ambachten genoemd waarvan de band met de VOC niet altijd duidelijk is, als smid, smidsknecht, timmerman, slotenmaker, kuiper en boekbinder. Voor de geestelijke verzorging waren er dominees, proponenten, ziekenbezoekers en voorlezers. Opvallend is dat ook Provintia hier en daar als stad wordt aangeduid.

Waar het met de kolonie zo goed ging, is het dan ook onbegrijpelijk dat de overheid het in 1651 nodig vond om het hoofdgeld te verdubbelen. Dit leidde in september van het jaar daarop tot een boerenopstand waarbij het Hollandse dorpje Provintia werd verwoest. Nog diezelfde maand werd de orde met harde hand met behulp van 2000 inlandse bondgenoten hersteld, waarbij circa 4000 boeren om het leven kwamen. Om de boeren in het vervolg beter te kunnen controleren werd bij het dorp Saccam het fortje Provintia gebouwd.

Alles leek daarna weer goed te gaan, maar boven het vaste land van China verzamelden zich intussen donkere wolken . Daar was de strijd tussen de Ming-keizer en de binnenvallende Mantsjoes door de laatsten gewonnen. Maar tussen 1646 en 1659 was de hele zuidoost kust van China nog onder het gezag van een aanhanger van de Ming. Zijn naam was Zheng Chenggong, maar vanwege zijn trouw mocht hij de keizerlijke achternaam dragen. Die titel werd ter plaatse uitgesproken als Koksengya, wat de Nederlanders algauw verbasterden tot Coxinga. Deze Coxinga was een machtige krijgsheer die kon beschikken over tienduizenden soldaten en honderden schepen. Gedurende de hele periode ging er daardoor van dit rebellenleger een grote dreiging uit die zich ook tot Formosa uitstrekte.

Na de opstand van 1652, woedden in 1653 epidemieën en in 1654 vernielde in sprinkhanenplaag de gewassen. Een jaar later stelde Coxinga een handelsembargo van het vaste land naar Formosa in. Weliswaar kon gouverneur Coyet dit twee jaar later ongedaan maken, maar al de voorgaande zaken en de afnemende toevoer van zijde door de burgeroorlog op het vaste land maakten dat Formosa zijn centrale positie in de zeehandel op China verloor. In de daaropvolgende jaren nam het aantal vluchtelingen van het vaste land toe tot meer dan 25.000. De positie van Coxinga werd steeds moeilijker en al gauw ging op Formosa het gerucht dat hij het eiland wel zou willen veroveren als toevluchtsoord. De gouverneur bereidde zich zo goed mogelijk voor op een eventuele oorlog, hij verbood de scheepvaart naar het vaste land en stuurde op 12 maart 1660 een schip naar Batavia om hulp. De door Batavia gezonden hulpvloot kwam eigenlijk te vroeg waardoor het leek of de gouverneur had overdreven. Na vertrek van de vloot bereikte Batavia op 23 juni 1661 het bericht dat Coxinga toch met een enorme overmacht op Formosa was geland. De landing had plaatsgevonden op 30 april 1661 en het eiland werd eigenlijk zonder veel tegenstand onder de voet gelopen. Op 4 mei 1661 gaf het fortje Provintia zich over en was Zeelandia de enige plaats waar de VOC nog stand hield. Nog diezelfde maand moest ook de Chinese stad op de zandplaat van Tayouan worden ontruimd. Toch hield de gouverneur nog vol, maar na de val van de redoute Utrecht zag hij zich genoodzaakt onderhandelingen te openen. Op 1 februari 1662 werd na een beleg van bijna tien maanden de overgave een feit. De VOC-dienaren kregen vrije aftocht. Zij mochten zelfs hun archieven meenemen, maar al het andere moest achterblijven.

Hoewel de Nederlanders slechts een betrekkelijk korte periode op Formosa de scepter voerden, is er in dat tijdvak toch veel veranderd. Er werden steden, polders, waterwerken, bruggen en wegen aangelegd en de landbouw werd als bron van inkomsten ingevoerd. Verder werd een half geslaagde campagne van alfabetisering doorgevoerd.

top

 

Zie de afzonderlijke pagina's voor meer informatie over de regio's in Azië:


  


Copyright © Genlias. Alle rechten voorbehouden. Disclaimer. Privacy.