|

De kolonie Nieuw-Nederland met de markering van de kustlijn zoals deze de West-Indische Compagnie voor ogen stond.
Nadat vanuit de Republiek de eerste reizen naar Indië waren gemaakt, kwam ook in de Nederlanden het idee op dat er misschien een kortere en veiligere zeeweg naar Indië zou zijn dan de vaart rond Afrika. Nadat Heemskerk en Barendsz aan het eind van de 16e eeuw al hadden geprobeerd om via de noordelijke route langs Siberië te varen, werd de Engelse zeevaarder Henry Hudson door de Verenigde Oost-Indische Compagnie in dienst genomen om, net als de Fransen en Engelsen eerder, te trachten een zeeweg te vinden langs de noordoost kant van Noord-Amerika.
In 1609 vertrok hij met zijn schip de “Halve Maen”. Op zijn eerste reis verkende hij de naar hem genoemde Hudsonrivier, in de Nederlandse periode bekend als Noordrivier, maar de gewenste doorgang vond hij niet. Zijn tweede reis verliep zelfs nog rampzaliger. Hij reisde nog noordelijker en ontdekte de Hudsonbaai, maar door muiterij onder zijn bemanning kwam hij om het leven.
De belangstelling van de VOC voor het continent ebde daarna snel weg. Wel werd er door Nederlandse kooplieden handel gedreven met de indianen. In 1613 en 1614 werd de oostkust door Hendrick Christiaensz., Adriaen Block en vervolgens door Cornelis May verkend van Maine tot Delaware. Op de kaart die Block naar aanleiding van deze reis vervaardigde wordt voor het eerst het gebied tussen de Franse koloniën in het tegenwoordige Canada en de Engels kolonie Virginia aangeduid als Nieuw-Nederland. In 1614 werd er zelfs een octrooi uitgegeven voor een Nieuw-Nederland Compagnie. In datzelfde jaar werd in de buurt van het huidige Albany het fort Nassau gebouwd, dat echter in 1618 alweer werd verlaten.
Toen na afloop van het Twaalfjarig Bestand in 1621 de West-Indische Compagnie werd opgericht, nam ook de kans op de stichting van een levensvatbare kolonie in Nieuw-Nederland aanmerkelijk toe. In 1624 kwamen de eerste kolonisten aan op Noteneiland en werden tevens fort Oranje bij het huidige Albany en de nederzetting Nieuw-Amsterdam met het fort Amsterdam op de punt van het eiland Manhattan gesticht. Twee jaar later kocht Peter Minuit dat hele eiland van de indianen voor goederen ter waarde van 60 gulden.
Om de kolonie voor meer mensen aantrekkelijker te maken werden in 1629 door de WIC de “Vrijheden en Exemptiën” vastgesteld. Daardoor werd de mogelijkheid geschapen zogenaamde patroonschappen in Nieuw-Nederland te vestigen. De mensen die zich voor zulke pogingen meldden, koloniers genoemd, sloten daartoe een overeenkomst met een patroon of een handelscompagnie die de onderneming financierden en leidden. Uit die tijd bekende patroonschappen waren: Rensselaerswijk, Swanendael, Pavonia, Colendonck en Conratz Bay. Van deze patroonschappen bleken er uiteindelijk slechts twee duurzaam te zijn. Minuit werd in 1632 afgezet als directeur-generaal vanwege interne conflicten en omdat de kolonie geen winst maakte. Uit rancune begaf hij zich in dienst van koning Gustaaf van Zweden en stichtte voor dat land de kolonie Nieuw-Zweden aan de Zuidrivier (Delaware).
Ondanks alle tegenslagen nam de bevolking gestaag toe en werden in het gebied van Nieuw-Nederland een vijfentwintigtal nederzettingen gesticht en werden aan de kust en verder landinwaards tal van forten gebouwd die de belangen van de kolonie tegen buitenlandse concurrentie en tegen indianen moesten beschermen. De bevolkingsaanwas kwam eigenlijk uit de hele wereld, maar met een zekere nadruk op West- en Noord-Europa en West-Afrika.
De nederzettingen waren behalve Nieuw-Amsterdam dat in 1653 stadrechten kreeg:
Altena (in de Zweedse periode Christinaham, later bekend als Wilmington)
Amersfoort (Flatlands)
Bergen
Beverwijck
Boswijck (Bushwick)
Breuckelen (Brooklyn)
Colen Donck of Jonkers Land (Yonkers)
’s-Gravensande (Gravesend)
Haarlem (Harlem)
Heemstede (Hempstead)
Jonas Broncks Bouwerij (The Bronx)
Kievitshoeck of Zeebroeck (Seabrook)
Middelburgh (Newtown)
Midwout (Vlacke Bos, Flatbush)
Nieuw-Amstel (New Castle in Delaware)
Nieuw-Utrecht (New Utrecht)
Noortwijck, ook wel genaamd Greenwijck (Greenwich Village)
Noten Eiland (Governors Island)
Oostdorp (Freedland)
Rustdorp (Jamaica)
Schenectady
Stuyvesants Bouwerij (Bowery)
Swaanendael
Turk’s Island (Coney Island)
Vlissingen (Flushing)
Wiltwijck (Esopus, tegenwoordig Kingston)
De belangrijkste forten waren:
Fort Amsterdam
Fort Altena
Fort Beversreede
Fort Casimir (in de Zweedse periode fort Christina)
Fort Christina
Fort Goede Hoop
Fort Nassau Noord
Fort Nassau Zuid
Fort Nya Korsholm
Fort Oranje
Fort Wilhelmus
De belangrijkste rivieren waren:
Noordrivier (Hudsonrivier)
Versche rivier (Connecticutrivier)
Zuidrivier (Delaware rivier)
De spreiding van de nederzettingen en forten (zoals voor de forten op nevenstaande kaart kan worden gezien), geeft al aan dat de invloed van de Nederlanders zich ver buiten de huidige staat New York uitstrekte en in feite een flink deel van de latere dertien eerste staten van de Verenigde Staten omvatte.
De druk op de kolonie van buiten af nam intussen toe. De verhouding met de indianen werd steeds lastiger en de Engelsen klaagden voortdurend over inbreuk op hun recht. Zij hadden immers in de eeuw ervoor het gehele gebied Engels verklaard. Directeur-generaal Peter Minuit werd opgevolgd door Wouter van Twiller en Bastiaen Jansz. Krol en die op hun beurt door Willem Kieft die in 1643 de aanval op de indianen opende. De daaruit voortvloeiende oorlog sleepte zich jarenlang voort. Pas toen Kieft in 1647 werd opgevolgd door Peter Stuyvesant werd er vrede met de indianen gesloten. Stuyvesant nam het bestuur van de kolonie krachtig ter hand en veroverde tevens in 1655 Nieuw-Zweden. Dit bracht de stad Amsterdam op het idee om in dat gebied een soort patroonskolonie te stichten met de naam Nieuw-Amstel. Deze was gelegen bij fort Casimir aan de Zuidrivier.
Nieuw-Nederland was in het noorden en zuiden omringd door Engelse koloniën. Zij voerden een politiek van bevolkingsaanwas die door hen werd aangeduid als “crowding out the Dutch”. Vooral van uit het noorden nam de druk toe. Dit resulteerde er op den duur zelfs in dat de Engelsen het fort De Goede Hoop konden overnemen.
Toen in 1664 een Engels smaldeel op de rede van Nieuw-Amsterdam verscheen en Nieuw-Nederland opeiste voor de Engelse kroon, werd de stad zonder een schot te hebben gelost overgegeven. Bij de Articles of Capitulation maakten de Nederlanders allerlei voorbehouden en behielden zij een groot deel van hun rechten. Er waren te weinig kolonisten (circa 7000) in de kolonie om het geloof in een voortbestaan ervan te ondersteunen. Weliswaar werd Nieuw-Amsterdam in 1673 door een Nederlandse vloot heroverd, Nieuw-Amsterdam werd omgedoopt in Nieuw Oranje, maar bij de vrede van Westminster in 1674 werd de kolonie door de Staten-Generaal teruggegeven aan de Engelsen, in ruil voor Suriname. Nieuw Amsterdam heette in het vervolg New York.
top |