|

De belangstelling vanuit Europa richtte zich in eerste instantie op Zuid- en Midden-Amerika. De verhalen over goud- en zilverschatten zullen daaraan zeker in belangrijke mate hebben bijgedragen. De Spanjaarden gingen bij hun veroveringen niet noordelijker dan wat nu de zuidelijkste staten van de Verenigde Staten zijn: Florida, Texas, Nieuw-Mexico, Arizona en delen van Californië. De Europese staten en kooplieden waren zich wel bewust van het bestaan van Noord-Amerika, maar dit gebied werd aanvankelijk economisch niet interessant genoeg bevonden. In 1497 voer het schip de Matthew onder bevel van de Genuees John Cabot in opdracht van de Engelse koning langs de oostkust van Noord-Amerika in de hoop daar een kortere weg naar Azië te zullen vinden. Op die reis ontdekte hij onder andere New Foundland. Lange tijd waren het slechts de visrijke wateren rond dit eiland die Europese vissers aantrokken. In 1524 probeerde de Florentijn Verazzano in opdracht van de Franse koning ook een doorgang te vinden. Na afloop kon een aanmerkelijk deel van de Oostkust van Noord-Amerika in kaart worden gebracht. Tien jaar later zocht de Fransman Cartier de doorgang noordelijker. Hij ontdekte daarbij grote delen van Canada. In de loop van de 16e eeuw werden er vanuit Engeland en Frankrijk wel enkele halfslachtige pogingen tot kolonisatie ondernomen en werden grote delen van de Oostkust tijdens enkele reizen van Engelse zeevaarders formeel voor hun koning in bezit genomen, maar blijvende volksplantingen kwamen daaruit niet voort. |
|
|