De ontdekking van de wereld
In de 15e eeuw waren Spanje en Portugal verwikkeld in een wedstrijd
om de ontdekking van de wereld. De Portugezen, die de kust van
Afrika verkenden en de Azoren, de Kaapverdische eilanden en Madeira
in bezit namen, hadden daarbij aanvankelijk een voorsprong. In
1486 bereikte de Portugees Bartholomeus Diaz Kaap de Goede Hoop
en korte tijd later 'ontdekte' Columbus voor de koning van Spanje
het Amerikaanse continent (1492).

Wereldkaart uit 1570 door Abraham Ortelius
Het spreekt vanzelf dat beide landen elkaar daarbij letterlijk
in het vaarwater zaten. Vanwege de toenemende spanningen wendden
zij zich dan ook tot de paus met het verzoek om een uitspraak.
De paus verdeelde vervolgens de wereld in een Spaans en een Portugees
gedeelte door het trekken van een meridiaan over een punt dat 480
km te westen van Kaap Verde lag. Alles ten oosten daarvan werd
Portugees en alle ten westen daarvan Spaans (Demarcatiebul Inter
Caetera, 1493). In het Verdrag van Tordesillas (2 juli 1494) werd
deze demarcatielijn alweer bijgesteld. De lijn werd naar het westen
verschoven tot 1170 km van Kaap Verde. Hierdoor werd o.a. het kort
daarna ontdekte Brazilië Portugees bezit.
Natuurlijk werden deze ontwikkelingen door de andere zeevarende
naties in Europa met argusogen gevolgd. Frankrijk, Engeland en
de Nederlanden wilden ook handel drijven op de nieuwe gebieden
en deze eventueel in bezit kunnen nemen. Voor wat de Noordelijke
Nederlanden betreft werd deze kwestie verder op scherp gezet doordat
zij in opstand kwamen tegen Spanje en de koning van Spanje als
hun heer afzwoeren (1581). Binnen enkele jaren ontwikkelde deze
opstand zich zelfs tot een volledige oorlog.
De schepen van de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
bevoeren de zeeën met drie onderling enigszins tegenstrijdige
doelen: Handel drijven, de vijand schade toebrengen en kolonisatie.
Daarbij moet wel worden aangetekend dat veroveringen vaak ten dienste
stonden aan beide eerstgenoemde doeleinden en dus lang niet altijd
gericht waren op volksplantingen.
Stichting van de koloniën
De eerste koloniën werden kort na 1580 op particulier initiatief
gevestigd aan de Wilde Kust van Zuid-Amerika. De mensen die zich
voor zulke pogingen melden, koloniers genoemd, sloten daartoe een
overeenkomst met een patroon of een handelscompagnie die de onderneming
financierden en leidden.
Ook na de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 werden
dergelijke patroonschappen nog gesticht. De oudste patroonschappen
bevonden zich aan de Wilde Kust, maar er waren ook patroonschappen
op de Antillen, in Nieuw-Nederland en in Brazilië. Vaak waren
deze stichtingen gering van omvang en slechts een kort leven beschoren.
Van sommige patroonschappen was na enkele jaren al niets meer terug
te vinden. Na de jaren vijftig van de 17e eeuw werden er geen nieuwe
patroonschappen meer opgericht en werden nog uitsluitend door of
vanwege de West-Indische Compagnie koloniën gesticht en bestuurd.

Zeekaart van de Caribische zee, 1676
Uit de begintijd kennen we patroonschappen aan de Amazone, aan
de Xingú, de Ginipape, de Essequibo, de Surinamerivier,
de Wiapoco, in Cayenne, aan de Berbice, op Tobago (Nieuw-Walcheren),
aan de Orinoco en op tal van andere plaatsen. Volksplantingen met
meer mogelijkheden en meer stabiliteit waren: Nieuw-Nederland,
Brazilië (Nieuw-Holland), Suriname, de eilanden van de huidige
Nederlandse Antillen, en Essequibo, Demerary en Berbice. Daarnaast
vestigden zich groepen Nederlanders op eilanden die door andere
naties werden bestuurd. Een goed voorbeeld daarvan is Santa Cruz
dat onder gezag van de Deense West-Indische Compagnie stond.
Het zal nog het nodige onderzoek vergen voor duidelijk is welke
nederzettingen belangrijk genoeg waren om een eigen bevolkingsadministratie
te voeren en eer volledig in kaart is gebracht wat daarvan nog
is terug te vinden.
|